Coronacrisis: ruimtelijke ordening op de anderhalve meter?

Algemeen 9 juni 2020

De coronacrisis zet óók de ruimtelijke ordening scherp op het netvlies. Een herinrichting van de leefomgeving ligt in het verschiet, voor zo min mogelijk contact en de bekende afstandsregel. Is dat allemaal tijdelijk of moet gezondheid een meer structurele plek krijgen in het omgevingsbeleid?

Maatregelen moeten de fysieke ruimte in stadscentra coronaproof maken. Gemeenten en het bedrijfsleven richten terrassen en uitgaansplekken volgens het anderhalvemeterbeleid in, om menselijk contact volgens de RIVM-richtlijnen te beperken.

Wellicht blijvender karakter

Deze aanpassingen lijken tijdelijk, maar als het coronavirus langere tijd onder ons blijft – wat vrijwel elke viroloog verwacht – krijgt de impact op de inrichting van de leefomgeving en openbare ruimte in gemeenten wellicht een blijvender karakter. De nieuwe spoedwet of coronawet gaat alvast uit van een jaar, bleek afgelopen weekeinde.

Omgevingsdeskundige Frans Tonnaer voorziet dat ‘het nieuwe normaal’ uit de noodwetgeving een basis zal krijgen in de reguliere omgevingsregelgeving. De emeritus-hoogleraar wijdde er recent een van zijn whitepapers aan. ‘De coronacrisis is een wake-up-call,’ constateert Tonnaer. ‘Gemeenten zijn weliswaar bezig met luchtkwaliteit en verkeersbeperking, maar bij de ruimtelijke ontwikkeling heeft gezondheid toe nu toe weinig aandacht gekregen. Die noodzaak is nu evident.’

Aanjager gezondere omgeving

Tonnaer ziet de coronacrisis als een aanjager van een gezonder omgevingsbeleid. ‘Dit schept een nieuwe dimensie voor binnenstedelijke herstructurering.’ Als voorbeeld noemt hij een breed opgezette en groene openbare ruimte en autoluwe stadscentra. De ruimte hiervoor is te vinden in niet langer noodzakelijke parkeerplaatsen. ‘Gemeenten gaan hun omgeving gezonder inrichten. Dichte binnensteden, leert de ervaring met het coronavirus, spelen een hoofdrol bij het snel verspreiden van infectieziekten.’

Of neem de kantooromgeving. De kantoortuin of het flexkantoor lijkt zijn langste tijd te hebben gehad. Gaan we nog wel investeren in traditionele kantoren nu we weten dat sommige beroepsgroepen hun werk ook vanuit huis kunnen doen, vraagt Tonnaer zich hardop af. Dat scheelt ook in mobiliteit, lees: eindelijk een oplossing voor het fileprobleem.

Krijgt het nieuwe werken in kleine verbanden en netwerken nu een versnelling? Daar lijkt het wel op, aldus Tonnaer. Digitalisering – neem de komst van 5G – maakt ook steeds mogelijk. ‘We moeten niet onderschatten dat dit virus nog langere tijd onder ons is,’ onderstreept Tonnaer de boodschap die steeds meer bestuurders lijken te onderkennen.

Ollongren: aanscherping beleid

Minister Ollongren van Binnenlandse Zaken onderstreepte het laatst ook in een Kamerbrief: het coronavirus maakt op ‘indringende wijze’ duidelijk dat gezondheid aandacht verdient in onze leefomgeving. Al zijn de mogelijkheden daarvoor reeds in het ontwerp van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) onderkend, in de definitieve visie zal dat waar nodig aanscherping krijgen.

In haar brief verwijst de minister naar de kabinetsambitie om in 2050 tot een ‘verwaarloosbaar risiconiveau voor mens en milieu’ te komen – wat een andere inrichting van onze samenleving vergt. Dat lijkt nog ver weg, maar daar moet je nu al aan werken, zegt Tonnaer. ‘Dit houdt in dat je niet op de huidige manier kunt doorgaan. Dat zal inderdaad nog een hele toer zijn. Daar is een verdere cultuuromslag voor nodig.’

Omgevingswet instrumenteel

De instrumenten om de gezondheid van inwoners te bevorderen, betoogt Tonnaer in zijn whitepaper, krijgen gemeenten onder meer in handen met de komst van de Omgevingswet. Gezondheid (overigens naar Tonnaers zin nog te defensief als ‘een goed beschermingsniveau’ geformuleerd) geldt als een van de hoofdprincipes in de nieuwe wet, die onlangs is uitgesteld tot 1 januari 2022.

Een van de opties is het vaststellen van een algemene zorgplicht in het omgevingsplan als overkoepelende norm, of een aparte gezondheidsparagraaf in de omgevingsvisie. Ook de uitvoeringsbesluiten (algemene maatregelen van bestuur) bieden mogelijkheden, bijvoorbeeld de regels voor het gebruik van bestaande gebouwen en het realiseren van nieuwbouw in het Bbl (Besluit bouwwerken leefomgeving).

De crisis zal eveneens impact hebben op de functietoedeling in het omgevingsplan, verwacht Tonnaer. Hij schrijft: ‘Naar mijn stellige verwachting zal het niet meer vanzelfsprekend zijn dat tegenstrijdige functies, zoals industriële activiteiten en vervoersfuncties, in relatie tot voor de gezondheid kwetsbare locaties en gebouwen, zonder nadere voorzieningen geacht worden zich onderling te verdragen.’

Weerstand tegen gezondheidsschade

‘De weerstand tegen de gezondheidsschade van emissies van industriële bedrijven en veehouderijen neemt toe. Niet alleen de bevolking, ook gemeentebestuurders zijn daar steeds meer van doordrongen.’ Tonnaers verwachting is dat de bereidheid van bedrijfstakken en sectoren om in dergelijke situaties te investeren, in emissiebeperkende en andere maatregelen ter bescherming van de gezondheid, zal toenemen.

‘De crisis heeft geleid tot bezinning op wat echt belangrijk wordt gevonden en heeft ons geleerd dat, als het erop aan komt, gedragsverandering wél mogelijk is. Dus ook van burgers. Dwingende regelgeving is niet nodig. Je kunt een beroep doen op het gezond verstand van mensen. Dat heeft de huidige crisis geleerd. Mensen geven hier gehoor aan. Het betekent niet dat we geen scherpere eisen hoeven te stellen aan bedrijven. Er zijn genoeg financiële en andere middelen om ondernemers te compenseren. Dat weten we nu ook. Neem de steunmaatregelen aan bedrijven.’

Maar hoe pakt dat in de praktijk uit? Tonnaer noemt het maken van een omgevingsplan voor bestuurders al een ‘evenwichtsoefening’. En wat als straks de aandacht voor de gezondheidsrisico’s weer verslapt? ‘Dat mag en zal niet gebeuren, verwacht ik.’

Paul Depla: ‘wakker geschud’

Evident is dat corona de samenleving in meerdere opzichten wakker schudt, constateert burgemeester Paul Depla van Breda. ‘Dat is ook logisch. Als wethouder in Nijmegen werd ik indertijd geconfronteerd met een serieus probleem, namelijk de consequenties van het hoogwater in de Waal. Op basis van nieuwe inzichten over hoogwater hebben we onze ruimtelijke plannen in dat gebied aangepast met de aanleg van het eiland Veur Lent in de rivier samen met een teruglegging van de dijk.

‘Dat pakte uit als een prima oplossing om de verschillende belangen – ruimtelijke ontwikkeling èn hoogwaterbescherming – te dienen. Zo zijn er telkens weer plots opkomende omstandigheden die gevolgen hebben voor het ruimtelijk beleid. Daar moet je beslist rekening mee houden, juist bij een crisis als deze. Het vermogen om je aan te passen, wordt belangrijker. Tegelijkertijd moet je ervoor oppassen dat je de wereld niet opeens volledig op basis van gezondheidsaspecten in gaat richten. Dan ben je bezig de stad te organiseren volgens de crisis die je net achter de rug hebt. Je weet immers niet welke volgende opdracht je in de toekomst tegenkomt.’

De kennis van nu over corona is niet zodanig dat we daarvoor een complete stad opnieuw moeten inrichten volgens een ruimtelijke ordening op de anderhalve meter, voegt hij toe. ‘Zo is er nog veel discussie of het coronavirus in de buitenlucht wel zoveel kans heeft. Op deze vraag is nog geen duidelijk antwoord. Dus er is geen reden nu al besluiten te nemen waar we in de toekomst enorm veel effecten van gaan zien. Als je bijvoorbeeld als eis zou stellen dat mensen minstens op anderhalve meter van elkaar kunnen fietsen, moet je hele binnensteden gaan slopen.

Stof laten neerdalen

‘Midden in een crisis ga je niet meteen dat soort fundamentele keuzes maken. Eerst zorg je ervoor dat je alles goed hebt geanalyseerd en neem daar de tijd voor. Laat het stof neerdalen, voordat je gaat acteren. Het is niet zo dat het anderhalvemeterbeleid een wet van Meden en Perzen wordt. Je ziet ook dat andere landen zo’n principe helemaal niet hanteren. Anders raak je mogelijk ook het draagvlak kwijt voor de maatregelen die op dat moment nodig zijn.’

Volgens Depla zijn er al veel ingrepen gedaan om de Nederlandse steden leefbaar te houden. ‘Natuurlijk leiden stedelijke knooppunten tot concentraties van mensen en veel drukte, waardoor de verspreiding van het virus groter wordt. Maar het zou raar zijn als we op basis hiervan de conclusie zouden trekken dat de ontwikkeling van campussen bij universiteiten of de herinrichting van stationsgebieden het slechtste was wat we hebben kunnen bedenken.’

Sterker, zegt hij, vanuit het oogpunt van duurzaamheid en mobiliteit zijn dat namelijk hele slimme oplossingen.

Tholen: veel ruimte, toch de klos

In het Zeeuwse Tholen denkt wethouder Peter Hoek er net zo over. De gemeente werd relatief zwaar door het coronavirus getroffen. Van de door de GGD geregistreerde Covid 19-besmettingen in Zeeland woonde circa een kwart in Tholen, dat met vijftien doden het hoogste aantal coronaslachtoffers van de Zeeuwse gemeenten telde. Overigens legt de GGD geen relatie tussen het aantal besmettingen en het kerkelijk gedachtegoed in de overwegend gereformeerde gemeente.

Een mogelijke verklaring is dat de gemeente dicht bij Noord-Brabant ligt, waar de Tholenaren aan het carnaval hebben meegedaan. ‘Ik zie nog geen causaal verband tussen de ruimtelijke inrichting en het relatief grote aantal besmettingen in onze gemeente,’ zegt Hoek. ‘In Tholen is volop ruimte, ook in de kernen. Bouwkavels zijn ruim opgezet. Ik trek dan ook nog geen keiharde conclusies voor het indelen van de fysieke ruimte in onze gemeente of dat we dit meteen mee moeten nemen in onze planvorming. Er is geen reden daar anders mee om te gaan. Daarvoor weten we nog te weinig van dit virus.’

Ook voorziet Hoek financiële beperkingen. ‘Bij het ontwerp van een nieuw schoolgebouw zou je prima rekening kunnen houden met anderhalve meter afstand tussen leerlingen en leerkrachten, maar het Rijk geeft een vergoeding voor veel minder ruimte. Ook kunnen wij ontwikkelaars geen eisen opleggen, die in andere gemeenten niet gelden. Er zijn dus volop praktische knelpunten.’

Wel blijvende impact

Wat echter niet wil zeggen, benadrukt Hoek, dat de coronacrisis in Tholen geen blijvende impact zal hebben. Denk aan de gemeentelijke organisatie. ‘Het traditionele kantoorconcept staat zeker onder druk. De digitale mogelijkheden worden op dit moment intensief benut. Thuiswerken gaan we vaker doen. Toch ben ik voorzichtig om ook hieraan meteen vergaande conclusies te verbinden.’

Een aparte gezondheidsparagraaf in de omgevingsvisie, die bij de Zeeuwse gemeente in de maak is, vindt Hoek een wezenlijke suggestie. ‘Niet in de laatste plaats omdat gezondheid al volop een plek krijgt in andere beleidsterreinen, zoals onze klimaatadaptatiestrategie en de energietransitie.

‘De toenemende hitte en droogte bedreigen de gezondheid van mensen. Daar houden we bijvoorbeeld rekening mee bij het positioneren van verzorgingstehuizen, door in de omgeving veel groen en bomen te voorzien, die voor verkoeling zorgen.’

Als een satéprikker

‘Ook richten we onze bestrating niet meer in op het snel afvoeren van regenwater. Al deze thema’s werken als een satéprikker voor het ruimtelijk beleid en krijgen straks een doorvertaling naar de omgevingsvisie. Ik stel me voor dat we dit straks uitwerken in toetsingskaders voor nieuwbouw en andere ruimtelijke ontwikkelingen.’

Tholen ziet ook kansen bij het uitkopen van bedrijven die veel emissies veroorzaken. Recent kocht de gemeente een varkenshouder uit, om in de nabije omgeving bedrijven en woningen te ontwikkelen. ‘Zo maken we niet alleen ruimte voor groei maar bevorderen we ook de leefbaarheid van een gebied. Aan de voorkant was hier een investering van ruim vijf miljoen euro voor nodig.

‘Maar dat verdienen we later terug, niet alleen in financieel opzicht met de grondverkoop maar ook door de sterk verbeterde gezondheidssituatie. Onze inwoners gaan zo’n gebied ook heel anders beleven, want de stankoverlast was groot.’

Bron: Gemeente.nu (8 juni 2020)

Bel mij terug

Heeft u vragen en wilt u graag terug worden gebeld door een van onze studieadviseurs?